Onlangs kwam ik bij een gezin waar hun zoon (8 jaar) de deur dichtsmeet en zich op de bank liet vallen. Zijn moeder fluisterde:
“Waarom doet hij zo? Hij is toch oud genoeg om dit anders te doen?”
“Waarom doet hij zo? Hij is toch oud genoeg om dit anders te doen?”
Ik ging rustig in de kamer zitten, zonder iets te vragen. Zijn lichaam stond strak van spanning: geen onwil, maar overloop. Zijn moeder wilde meteen praten, uitleggen, corrigeren. Maar ik vroeg haar te wachten.
Ze ging naast hem zitten. Niet te dichtbij, wel beschikbaar.
En dat was genoeg. Zijn adem zakte, de tranen kwamen alsnog, en toen volgde pas het verhaal van zijn moeilijke schooldag.
En dat was genoeg. Zijn adem zakte, de tranen kwamen alsnog, en toen volgde pas het verhaal van zijn moeilijke schooldag.
Niet omdat hij woorden kreeg.
Maar omdat hij nabijheid kreeg.
Maar omdat hij nabijheid kreeg.
Kinderen van 8 lijken groot, maar hun regulatie is nog volop in ontwikkeling.
Onder groot gedrag zit bijna altijd een vraag om veiligheid:
“Blijf bij me, ik kan het even niet alleen.”
Onder groot gedrag zit bijna altijd een vraag om veiligheid:
“Blijf bij me, ik kan het even niet alleen.”
Co‑regulatie blijft ook op deze leeftijd de basis.
Rust leren doen ze niet door uitleg, maar door een volwassen ander die beschikbaar blijft en vertraagt.
Rust leren doen ze niet door uitleg, maar door een volwassen ander die beschikbaar blijft en vertraagt.
En ouders hoeven dit niet perfect te doen, wel steeds opnieuw proberen terug te keren naar verbinding.



