Als gezinsbegeleider zie ik het vaak: een kind dat boos wordt om iets kleins, dat zich terugtrekt zonder duidelijke reden, of dat steeds drukker lijkt te worden naarmate de dag vordert. Ouders vertellen me dan:
“Ik snap het gewoon niet… waarom doet hij zo?”
“Ik snap het gewoon niet… waarom doet hij zo?”
En precies daar begint ons gezamenlijke werk.
Want achter elk gedrag zit een behoefte.
Altijd.
Altijd.
Soms kom ik binnen op een moment waarop een kind driftig door de kamer stampt. De ouder kijkt wanhopig toe. Ik ga rustig zitten en observeer. Niet het stampen zelf, maar wat eronder ligt:
- Is het vermoeidheid?
- Overprikkeling?
- Onzekerheid?
- Een gemiste verbinding?
- Of simpelweg: “Ik weet even niet hoe ik dit moet zeggen.”
Kinderen praten zelden in duidelijke woorden.
Ze praten in gedrag.
Ze praten in gedrag.
En wat wij als “lastig” zien, is vaak hun manier om duidelijk te maken dat er iets wringt — in hun lijf, in hun emoties, in hun wereldje.
Ik zeg dan vaak tegen ouders:
“Kijk voorbij wat er gebeurt, en luister naar wat er nodig is.”
“Kijk voorbij wat er gebeurt, en luister naar wat er nodig is.”
Want een driftbui kan een vraag om veiligheid zijn.
Druk gedrag kan een schreeuw om rust zijn.
Terugtrekken kan een verlangen naar voorspelbaarheid zijn.
En huilen zonder aanleiding kan simpelweg betekenen: “Ik ben even op.”
Druk gedrag kan een schreeuw om rust zijn.
Terugtrekken kan een verlangen naar voorspelbaarheid zijn.
En huilen zonder aanleiding kan simpelweg betekenen: “Ik ben even op.”
Wanneer we als volwassenen niet meteen reageren op het gedrag, maar eerst stilstaan bij de behoefte erachter, ontstaat er ruimte. Ruimte om te begrijpen. Ruimte om te verbinden. Ruimte om te begeleiden in plaats van te corrigeren.
Het mooiste moment komt vaak daarna:
Wanneer een ouder zegt:
“Oh… nu snap ik het.”
Wanneer een ouder zegt:
“Oh… nu snap ik het.”
Dan zie ik iets verzachten — bij de ouder en bij het kind.
En precies daar begint verandering.
En precies daar begint verandering.



